Kennisquiz VIND Lokale belastingen

Antwoorden met toelichting en verwijzing naar de kennisbank

Hieronder kunt u nogmaals de vragen teruglezen van de Kennisquiz VIND Lokale belastingen met daarbij het juiste antwoord en een verwijzing naar de plaats in de kennisbank waar u het onderwerp terug kunt vinden.

Vraag 1 

In de fiscale invordering wordt onder de gevorderde som verstaan:

a) het op de aanslag openstaande bedrag zonder vervolgingskosten en/of invorderingsrente.
b) het op de aanslag openstaande bedrag inclusief vervolgingskosten en/of invorderingsrente.
c) het op de aanslag openstaande bedrag inclusief vervolgingskosten maar zonder de invorderingsrente.

Antwoord

c) het op de aanslag openstaande bedrag zonder vervolgingskosten en/of invorderingsrente.

Vindplaats kennisbank

https://portal.vindlokalebelastingen.nl/doc/244009/
thematisch commentaar > invordering > dwanginvordering (artikelen 11 t/m 20)

Vraag 2 

Van een betaling ter voldoening van een belastingschuld bij een gemeente geschiedt de toerekening achtereenvolgens aan de kosten, de rente en ten slotte de belastingaanslag. Welke stelling is juist?

a) Een belastingschuldige kan zelfstandig bepalen dat die volgorde anders moet zijn.
b) De Ontvanger kan bepalen dat die volgorde anders moet zijn.
c) De volgorde mag niet anders zijn.

Antwoord

c) De volgorde mag niet anders zijn.

Vindplaats kennisbank

https://portal.vindlokalebelastingen.nl/doc/242114/
Algemene bepalingen Invorderingswet 1990 > Toerekening van betalingen (art. 7 Invorderingswet 1990

Vraag 3

De Ontvanger heeft de mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen aan een belastingschuldige die een belastingaanslag niet, niet tijdig of niet volledig heeft betaald. Het gaat hierbij expliciet om een boetebepaling bij een aanslagbelasting.

a) Deze stelling is juist.
b) Deze stelling is onjuist.
c) Dit is toegestaan met ingang van 1 januari 2019

Antwoord

a) Deze stelling is juist.

Vindplaats kennisbank

https://portal.vindlokalebelastingen.nl/doc/242273/
thematisch commentaar > invordering > bestuurlijke boeten (artikelen 63b en 63c invorderingswet 1990

Casus De knaltaks

Wethouder Financiën K. Lontje van de gemeente Overlast ergert zich jaarlijks aan de rommel op straat die overblijft na het afsteken van vuurwerk met oud en nieuw. De extra schoonmaakwerkzaamheden en herstellen van vernielingen van straatmeubilair kost de gemeentekas jaarlijks flink wat geld. Hij stelt daarom voor dat de vuurwerkverkooppunten in zijn gemeente bij de uitgifte van vuurwerkpakketten in de laatste dagen van het jaar € 5 per pakket extra rekenen als een soort gemeentelijke vuurwerktaks.

 

Vraag 4

De gemeentelijke heffingen kunnen worden ingedeeld in algemene belastingen, bestemmingsheffingen en rechten (retributies).

Welk van de onderstaande opties is juist?

a) De baatbelasting is een algemene belasting.
b) De reclamebelasting voor een ondernemersfonds in het centrum van de gemeente is een bestemmingsbelasting.
c) De afvalstoffenheffing is een retributie

 

Antwoord

De reclamebelasting voor een ondernemersfonds in het centrum van de gemeente is een bestemmingsbelasting.

Vraag 5

Als we veronderstellen dat een vuurwerktaks zou kunnen worden ingevoerd, welke van de volgende stellingen is dan juist?

a) De vuurwerktaks kan worden gekarakteriseerd als een algemene belasting.
b) De vuurwerktaks kan worden gekarakteriseerd als een bestemmingsheffing.
c) De vuurwerktaks zal kunnen worden gekarakteriseerd als een retributie (recht).

Antwoord

b) De vuurwerktaks kan worden gekarakteriseerd als een bestemmingsheffing.

Vraag 6

Welke van de onderstaande stellingen is juist?

a) De vuurwerktaks kan in dit geval worden ingevoerd als een algemene belasting.
b) De vuurwerktaks kan in dit geval worden ingevoerd als een bestemmingsbelasting
c) De vuurwerktaks kan in dit geval worden ingevoerd in de vorm van een retributie.
d) De vuurwerktaks kan in dit geval niet worden ingevoerd omdat een wettelijke basis daarvoor ontbreekt.

Antwoord

d) De vuurwerktaks kan in dit geval worden ingevoerd als een algemene belasting.

Vraag 7 

Na aanmaning is uitstel van betaling verleend door de Ontvanger. Na het vervallen van het uitstel (ingetrokken) heeft de Ontvanger de invordering voortgezet met een dwangbevel omdat betaling door de belastingschuldige uitbleef. De belastingschuldige maakt bezwaar tegen de kosten van het dwangbevel. Welke stelling is juist?

a) De Ontvanger is, na intrekking van het uitstel van betaling, bevoegd zonder verdere mededeling direct een dwangbevel uit te vaardigen en te (laten) betekenen.
b) De Ontvanger moet bij intrekking uitstel van betaling, onder het stellen van een nieuwe redelijke termijn, de aanmaning in herinnering brengen, voordat een dwangbevel mag worden uitgevaardigd en kan worden betekend.
c) De Ontvanger moet na intrekking van het uitstel van betaling de belastingschuldige tenminste 10 dagen de tijd geven om te betalen en kan na het verstrijken van die termijn een dwangbevel uitvaardigen en (laten) betekenen.

Antwoord

b) De Ontvanger moet bij intrekking uitstel van betaling, onder het stellen van een nieuwe redelijke termijn, de aanmaning in herinnering brengen, voordat een dwangbevel mag worden uitgevaardigd en kan worden betekend.

Vindplaats kennisbank

https://portal.vindlokalebelastingen.nl/doc/244009/#Vervolging%20na%20intrekking%20verleend%20uitstel%20van%20betaling
Dwangbevel > Vervolging na intrekking verleend uitstel van betaling

Vraag 8 

Welke stelling is juist?

a) Waar een vorderingsverbod geldt, geldt nooit een beslagverbod.
b) Waar een beslagverbod geldt, geldt altijd ook een vorderingverbod.
c) Waar een vorderingsverbod geldt, geldt altijd ook een beslagverbod.

Antwoord

a) Waar een vorderingsverbod geldt, geldt nooit een beslagverbod.

Vindplaats kennisbank

https://portal.vindlokalebelastingen.nl/doc/244009/
Vordering artikel 19 Invorderingswet > Beslagverbod en vorderingverbod

Vraag 9 

Een deurwaarder kan beslag leggen op een voorlopige teruggave Inkomstenbelasting die door de Ontvanger van de Belastingdienst wordt uitgekeerd aan een belastingschuldige.

Als de vordering van de beslagleggende deurwaarder aan het einde van de betalingstermijn van de voorlopige aanslag Inkomstenbelasting (31-12) nog niet geheel voldaan is:

a) moet vóór 31 december een “exploot van voorzetting derdenbeslag” worden betekend aan de Ontvanger van de Belastingdienst.
b) moet vóór 10 januari van het volgende jaar opnieuw beslag worden gelegd door de deurwaarder onder de Ontvanger van de Belastingdienst;
c) loopt het beslag door voor de voorlopige aanslag Inkomstenbelasting van het nieuwe jaar. Opnieuw beslagleggen is niet meer nodig.

Antwoord

c) loopt het beslag door voor de voorlopige aanslag Inkomstenbelasting van het nieuwe jaar. Opnieuw beslagleggen is niet meer nodig.

Vindplaats kennisbank

https://portal.vindlokalebelastingen.nl/doc/244009/
Toepassing artikel 16 IW

Vraag 10

Een gemeente stuurt aan belastingplichtige een WOZ-beschikking voor belastingjaar 2018 voor het bedrijfspand dat hij sinds eind 2014 in eigendom en gebruik heeft. De vastgestelde waarde bedraagt
€ 500.000,- terwijl de waarde in de voorgaande jaren aanzienlijk hoger was. Voor  2015 bedroeg de waarde € 1.250.000,-, voor 2016 bedroeg de waarde € 1.200.000,- en voor 2017 bedroeg de waarde € 1.175.000,-. Belastingplichtige verzoekt na ontvangst van het aanslagbiljet om het taxatieverslag
om de waardeopbouw te kunnen controleren en besluit na ontvangst om geen verdere actie te ondernemen. Na verzending van de aanslag constateert de gemeente dat de waarde abusievelijk
veel te laag is vastgesteld en de aanslag OZB hierdoor voor een veel te laag bedrag is opgelegd.
Na herberekening blijkt de juiste waarde € 1.160.000,- te zijn.

Heeft de gemeente mogelijkheden om de vastgestelde waarde en aanslag OZB te herzien en welke mogelijkheden zijn dit?

a) Nee, er is geen sprake van een nieuw feit.
b) Ja, de gemeente kan de beschikking verhogen tot de juiste waarde en een nieuwe aanslag OZB opleggen, omdat het voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat de waarde aanzienlijk te laag was vastgesteld.
c) Ja, de gemeente kan de beschikking vernietigen en een nieuwe beschikking toesturen en de te weinig geheven belasting navorderen, omdat het voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat de waarde te laag is vastgesteld en de aanslag OZB voor een te laag bedrag is opgelegd.

Antwoord

c) Ja, de gemeente kan de beschikking vernietigen en een nieuwe beschikking toesturen

Toelichting en vindplaats kennisbank

Volgens artikel 27 Wet WOZ kan indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de waarde
te laag is vastgesteld, de heffingsambtenaar de waarde herzien bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de heffingsambtenaar bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren. Een fout die voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, levert altijd een grond voor herziening van de waarde en navordering van de aanslag op.

In dit geval is het waardeverschil zeer fors en onverklaarbaar en heeft belastingplichtige bovendien inzicht in het taxatieverslag en de waardeopbouw gehad. Dit betekent dat de fout redelijkerwijs kenbaar was en de waarde kan worden herzien ex artikel 27 Wet WOZ en de aanslag OZB kan worden nagevorderd ex artikel 18a Awr.

Vindplaats: Heffingstechnieken, onderdelen “Navordering” en “Herzieningsbeschikking Wet WOZ”.

Vraag 11

Een belastingplichtige ontvangt met dagtekening 31 januari 2018 van zijn gemeente een aanslag gemeentelijke belastingen voor zijn woning. Hierop zijn opgenomen aanslagen OZB en rioolheffing eigenaar, een aanslag rioolheffing gebruiker en een aanslag afvalstoffenheffing. Belastingplichtige is echter op 5 januari 2018 naar een andere woning in dezelfde gemeente verhuisd en is van mening dat de aanslagen niet correct zijn opgelegd. Hij verzoekt daarom om vermindering van de opgelegde aanslagen.

Hoe zal de gemeente op het bezwaar beslissen?

a) De eigenarenaanslagen OZB en rioolheffing blijven gehandhaafd en de gebruikersaanslagen rioolheffing gebruiker en afvalstoffenheffing worden voor 11 maanden verminderd door de verhuizing naar een andere woning.
b) De eigenarenaanslagen blijven gehandhaafd en de gebruikersaanslagen worden alleen verminderd als betrokkene op het nieuwe adres niet de belastingplichtige is.
c) Alle aanslagen blijven gehandhaafd omdat er sprake is van tijdstipbelastingen en een binnenverhuizing.

Antwoord

b) De eigenarenaanslagen blijven gehandhaafd en de gebruikersaanslagen worden alleen verminderd als betrokkene op het nieuwe adres niet de belastingplichtige is.

Toelichting en vindplaats kennisbank

De eigenarenbelastingen zijn tijdstipbelastingen waarbij de situatie op 1 januari bepalend is voor het gehele jaar. Er vindt hierbij geen vermindering naar tijdsgelang plaats door een verhuizing nà de peildatum 1 januari. De gebruikersaanslagen zijn tijdvakbelasting, waarbij in beginsel wel vermindering plaatsvindt na beëindiging van de belastingplicht in de loop van het jaar. Bij een binnenverhuizing vindt doorgaans geen vermindering plaats, omdat de aanslag als het ware wordt meegenomen naar het nieuwe adres. Is men niet belastingplichtig op het nieuwe adres, bijv. omdat men tijdelijk gaat inwonen, dan vindt wel vermindering van de gebruikersaanslagen plaats.

Vindplaats: Heffing, onderdelen “Onroerendezaakbelasting”, “Rioolheffingen” en “Afvalstoffenheffing”.

Vraag 12

Een belastingplichtige uit de Randstad heeft in februari 2017 een tweede woning gekocht in een recreatieve gemeente die forensenbelasting heft. Belastingplichtige is van plan slechts enkele korte perioden van het jaar in de woning te gaan verblijven en de woning voor het overige te gaan verhuren via een verhuurbemiddelingsbedrijf. Hiervoor wordt een verhuurbemiddelingsovereenkomst afgesloten. De vereiste 90 dagen dat de gemeubileerde woning voor zichzelf of zijn gezin beschikbaar wordt gehouden wordt lang niet gehaald. Concreet maakt belastingplichtige in 2017 in verschillende perioden in totaal 25 dagen zelf gebruik van de woning. Gedurende 105 dagen wordt de woning aan derden verhuurd en verder wordt de woning gedurende 190 dagen niet verhuurd en ook niet gebruikt. Belastingplichtige is door het minimale eigen gebruik dan ook hoogst verbaasd een aanslag forensenbelasting 2017 van de gemeente te ontvangen. Hij besluit daarom om bezwaar aan te tekenen, omdat hij de woning in 2017 slechts 25 dagen zelf heeft gebruikt.

Hoe zal de gemeente op het bezwaar beslissen?

a) Het bezwaar wordt afgewezen, omdat het totaal van de dagen dat de woning zelf is gebruikt en de dagen dat de woning niet verhuurd is geweest meer dan 90 dagen is, maar wel is vereist dat eigen gebruik tijdens de dagen dat de woning niet is verhuurd niet expliciet contractueel is uitgesloten.
b) Het bezwaar wordt afgewezen, omdat het totaal van het eigen gebruik en de dagen dat de woning niet verhuurd is meer dan 90 dagen is.
c) Het bezwaar wordt toegewezen, omdat de woning slechts 25 dagen door belastingplichtige zelf is gebruikt.

Antwoord

a) Het bezwaar wordt afgewezen, omdat het totaal van de dagen dat de woning zelf is gebruikt en de dagen dat de woning niet verhuurd is geweest meer dan 90 dagen is, maar wel is vereist dat eigen gebruik tijdens de dagen dat de woning niet is verhuurd niet expliciet contractueel is uitgesloten.

Toelichting en vindplaats kennisbank

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad mag een gemeente slechts dan geen aanslag  forensenbelasting opleggen aan een eigenaar die zijn woning voor (vrijwel) het gehele jaar aan een derde ter beschikking stelt voor verhuur, (a) indien die eigenaar in het geheel geen gebruik maakt van zijn woning, althans geen ander gebruik dan nodig is om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, ofwel (b) – ingeval de woning ook in enige mate door die eigenaar zelf wordt gebruikt anders dan nodig is om deze voor verhuur gereed te maken en te houden – indien de som van het aantal dagen van eigen gebruik en van het aantal dagen waarop de woning niet wordt gebruikt, maar waarop deze moet worden geacht door die eigenaar beschikbaar te zijn gehouden voor zich of zijn gezin, niet meer dan 90 is.

Er is een aantal vuistregels om na te gaan of aan het criterium van 90 dagen is voldaan. Deze zijn:

  • aan derden verhuurde dagen tellen niet mee als zijnde beschikbaar voor belanghebbende
    of diens gezin;
  • evenmin tellen dagen die zijn gebruikt voor schoonmaak en onderhoud mee als voor belanghebbende of diens gezin beschikbare dagen;
  • eigen gebruik (recreatief) van belanghebbende of diens gezin telt wel mee als beschikbare dagen;
  • voor de niet verhuurde dagen hangt het af van de uitleg van de verhuurbemiddelings-overeenkomst of er sprake is van voor belanghebbende of diens gezin beschikbare dagen.

In dit geval heeft belastingplichtige in enige mate zelf gebruik gemaakt van de woning. Deze dagen tellen mee als eigen gebruik. De onverhuurde dagen tellen ook mee als eigen gebruik omdat belastingplichtige in enige mate zelf gebruik van de woning heeft gemaakt, maar wel is vereist dat eigen gebruik tijdens deze onverhuurde dagen niet expliciet contractueel is uitgesloten. Het hangt dus van de uitleg van de verhuurbemiddelingsovereenkomst af of de vereiste 90 dagen worden gehaald en de aanslag forensenbelasting terecht is opgelegd.

Vindplaats: Gemeentelijke Belastingen, onderdeel “Forensenbelasting”.

(Typefouten voorbehouden. Aan de inhoud van deze pagina kunnen geen rechten worden ontleend.)